Week 5

4

Mestkever

Geotrupes stercorarius

Machtige Beuk, we hadden ze bijna te grazen vannacht, die ellendige Hooiwagen met zijn gevild konijnenmens! Braam heeft er een stokje tussen gestoken. Razendsnel was het duo weer verdwenen. En heel onze familie die de aanval loyaal had voorbereid, gaf het op en keerde terug naar hun nachtelijke activiteiten. Maar niet alles is verloren. Laat ik u de feiten even op een rij zetten, zodat u en al uw onderdanen weer helemaal mee zijn.

De Maan stond vol aan de hemel en er was niet één wolkje dat het licht versperde. Gracieus vielen haar stralen langs de majestueuze beuken en eiken. In de dansende lichtvlekken onder de zachtjes wiegende bomen leek het weer heel even dag te worden. We waren getipt dat Hooiwagen van plan was om de ongenaakbare met het konijnenvel verder te laten eten bij Braam. Onze opkomst was talrijk en zoals u weet, communiceren we gemakkelijk onder elkaar, met die tsjirpende achterpoten van ons. We hadden ons gespreid opgesteld, zodat we Hooiwagen probleemloos konden volgen. Met onze logge lijven zijn we niet zo wendbaar. Dus we hadden het plan opgevat om hem massaal aan te vallen, wanneer hij ergens halt zou houden. Het leek wel alsof hij die achtervolging vermoedde, want hij dook onder doornstruiken en rende langs dichte grashalmen en verdorde beukenbladen die zo gelooid waren dat ze niet een straal licht doorlieten. Die duistere wereld is onze habitat, met de meest verrukkelijke geuren, textuur en smaken. Maar de ongenaakbare die Hooiwagen bij zich had, voelde zich duidelijk niet op haar gemak. We werden een vochtige huidgeur gewaar die we herkennen van menselijke lopers in het bos. Hooiwagen moet het ook opgemerkt hebben, want hij begon variatie in zijn route te brengen. Mijn broer vloog boven hem, terwijl Hooiwagen langs grashalmen liep die hem op en neer wiegden. We hadden geluk dat de ongenaakbare ons niet opmerkte. Maar ze zag dan ook niks, terwijl toch een hele fanclub van Malle Eik haar aandacht probeerde te trekken onderweg. Ze groette hen niet terug, de duikelende motten die hen richting Braam gidsten. Ze hoorde niet een van de krekels die hen toejuichten. Ze voelde de oude populieren niet, die hen samen met de zuiderwinden een ritselend welkom heetten. Ze merkte zelfs de bosuil niet op die hen begeleidde. Ze staarde wezenloos voor zich uit. Net als mijn broers en zussen, deed ik mijn uiterste best om me te blijven concentreren op hun route, maar al snel werd ik overspoeld door grote vlakken blauw, groen, geel en rood. Ze stroomden uit het hoofd van de ongenaakbare. Overvloedig waren ze en ze hielden zo lang aan dat ik een pauze moest nemen. Tot onze grote verbazing verscheen zelfs de Zon uit die ongenaakbare.

‘Zo’n wezen verlangt naar daglicht en kleurtjes!’ seinde mijn zus. Een precieze opmerking. Het was nooit eerder in me opgekomen dat mensen zich niet comfortabel voelen in het grijs-zwarte van de nacht. Wat een geluk, anders zouden ze ons ook ’s nachts komen lastigvallen, stel je voor. Nu ruik ik heel af en toe eens een mens, één mens die ronddwaalt in het duister, en die meestal zeer zachte golven uitstraalt. Heel anders dan die horde fietsers en lopers met door muziek verstopte oren overdag die ons massaal verbrijzelen onder hun zware schoenen.

Ze passeerden de rottende Tondelzwam, waar enkele familieleden in gezelschap van een heel aantal andere insecten een klein eetfestijn hielden. Hooiwagen moet de lekkernij ook hebben geroken. De Zwam was enorm en lag daar zomaar tussen de kurkdroge bladeren.

‘Hou jullie gereed,’ seinde mijn broer. ‘Die Hooiwagen overweegt zijn kansen. Zo’n verrukkelijk hapje heeft hij mijns inziens in dagen niet meer gevonden. Hij gaat er waarschijnlijk van uit dat de aasvliegen, mieren en ander broedsel dat zich aan een rottende paddenstoel voedt, geen interesse hebben in mensenvlees.’ We seinden onze familie en vatten post.

Zoals we hadden verwacht, kroop Hooiwagen langs het verharde vruchtvlees omhoog. Mijn eerste ontgoocheling: onze familieleden bij Tondelzwam waren te bedwelmd om snel te reageren. Meteen seinde ik de anderen die verderop de wacht hielden.

‘Kom allemaal hier, bij Tondelzwam!’ De nieuwsgierigheid van boswezens is enorm. Iedereen wilde de ongenaakbare zien. Het mensje raakte in paniek. Ze gilde allerlei geluiden. Golven van angst stroomden uit het meisje. Een minuscuul spinnetje durfde op haar arm lopen. Alle moeite van de wereld deed ik om me tussen de massa krioelende wezens te wringen, maar er was geen beginnen aan. Mijn broer en ik probeerden bovenop de andere insecten te geraken, zodat we hen konden omsingelen. De aanvalskreet van een oehoe rukte ons uit het kluwen. De vogel daalde tussen de beuken neer. Net zoals wij had hij het op de ongenaakbare gemunt.

Hooiwagen rende zo snel als hij kon om zichzelf en de ongenaakbare in veiligheid te brengen. We hoopten vurig dat het meisje haar greep zou lossen. Dat hij haar zou kwijt spelen in de duisternis van het kreupelhout.

Via een korte route bereikten ze Braam. Dat gaf ons een andere kans. Een groot aantal mestkevers had zich daar intussen opgesteld. Uitgeteld groette Hooiwagen de struik.

‘Maak je zo snel mogelijk uit de voeten,’ reageerde Braam snel. Die is ook duidelijk zwaar gemanipuleerd door Malle Eik. Grootvader gaf het signaal om ten aanval over te gaan. Veel tijd zouden we niet hebben. In formatie vlogen we naar de laagste bladeren van Braam. We waren met honderden. We namen een bocht en vlogen recht op Hooiwagen en het mensje af. Maar Braam gilde.

‘Maak je uit de voeten! Nu!’ Waarom werkt iedereen toch zo onderdanig mee met Malle Eik? Hooiwagen reageerde als de bliksem. Wijdbeens verwijderde hij zich van Braam. En deze keer koos hij voor de grootste dekking. Onze aanval was mislukt. Ik vloog nog op om hem te volgen, maar de anderen hadden het intussen opgegeven. Onder Braam lagen droge konijnenuitwerpselen waaraan ze niet konden weerstaan.

Het was dus een fiasco. Toch wil ik dit verslag niet zo negatief beëindigen. Laat me nog iets ongewoons doorseinen dat belangrijk zou kunnen zijn. Nog maar even waren ze vertrokken of ik merkte hoe de ongenaakbare een geur van mineralen begon te produceren. Ik stelde mijn zintuigen op scherp. Bij alle Heilige Zwammen, het kon toch niet waar zijn! Het was metaal! Ik vloog dichterbij en zag hoe de ongenaakbare de rechter achterpoot van Hooiwagen met een korte knak afknipte. Ik begreep er niets van. Was dit een menselijke poging tot zelfmoord? De metaalgeur verdween weer. Dragen ongenaakbaren moordwapens bij zich? Wil dat zeggen dat wij dan een nog groter gevaar lopen dan we al dachten?

We zagen de geamputeerde poot eenzaam voortbewegen. Dat belette Hooiwagen niet om moeiteloos verder te rennen. Snokkend trok hij op en neer langs de meest netelige planten, terwijl de kleine ongenaakbare zich met beide handen vastklampte. Ik verloor ze uit het oog toen ze in het diepere struikgewas verdwenen.

Machtige Beuk, wij hebben ons best gedaan, maar het geluk stond deze keer niet aan onze kant. Het tij zal keren, u zal het zien. We hebben nog veel tijd. En ook al zijn de slaafjes van Malle Eik met velen, wij zijn dat ook. En de ongenaakbaren, al zijn ze gevaarlijk, zijn opvallende doelwitten die we gemakkelijk te grazen kunnen krijgen. Het vraagt meer training, inzicht en strategie. We komen er wel. En als je het mij vraagt, gaan die Hooiwagen en velen van zijn collega’s zich binnenkort nog tot ons bekeren. Want zeg nu zelf, wie wil er voor zo’n ongenaakbare zijn leven riskeren?

Ziezo, tot zover. Ik ben toe aan een pauze, voordat we weer een volgende aanval lanceren.