Week 3

2

Doodgraver

Nicrophorus vespilloides

Machtige Beuk, ik hoop dat u nooit zal vergeten dat ik het ben die u als eerste vertel over de komst van de mensenjongeren in het bos. Vindt u ook niet dat die primeur goed bij me past? Mijn partner en ik, wij zijn veruit de mooiste aaskevers van het woud, glanzend zwart met twee brede, oranje, gekartelde strepen op ons schild. Onze antennes lopen uit op fiere knotsen, waarmee we onversaagd de gevaarlijkste situaties aandurven. Onze lichamen zijn groot en indrukwekkend – veel langer dan de schamele drie centimeter van andere doodgravers – en we paren erop los. Er gaan geen twee weken voorbij of we hebben alweer een nieuw gezin. En dat is maar goed ook, want er kunnen niet genoeg doodgravers met onze genen in het woud wonen. Zeg nu zelf, in de oneindige cyclus van leven en dood zijn afvalverwerkers zoals wij toch van onschatbare waarde?

Om heel eerlijk te zijn, kijk ik al lang niet meer op van de gelukkige toevalligheden die het leven me toewerpt. Neem bijvoorbeeld het lijkje van de roodborst dat nu dienst doet als kraamkamer voor onze jongste telgen. Twee weken geleden kwam ik het op het spoor. Lekker vers was het. Meteen seinde ik mijn partner. De verrukkelijke geur van een jong lijk maakte ons bijna gek van vreugde. Samen gingen we aan de slag. We zijn een goed team, mijn partner en ik. De bodem onder het lijkje was eeuwenoude humus, uitgedroogd door de voortdurende hitte, en gemakkelijk uit te graven, waardoor we de prooi al snel veilig onder de grond konden verbergen. We trokken de veren en huid van het lijk en bewaarden het rottende vlees met een slijmlaagje. En alsof dat allemaal nog niet voorspoedig genoeg was, bleek dat we het lijkje hadden begraven ter hoogte van het hol van een muis. En niet eender welke muis, maar het opperhoofd van een hele clan. Misschien had u me er wel naartoe geleid, Machtige Beuk? Wie kent de gaven van oude, wijze wezens zoals u? Ik was namelijk precies waar ik op dat moment moest zijn: vlakbij het hol van de vijand. Ik had u immers al mijn woord gegeven, om geheim agent te zijn in deze nieuwe strijd in het bos.

Tijdens de volgende dagen groeven we een kleine, maar veilige doorgang uit naar het muizenhol. Zoals u had aangegeven, behoort Oppermuis wel degelijk tot de bende van Malle Eik, die het in haar hoofd heeft gehaald om een pact te sluiten met het mensenras. Alsof die tweevoeters de planeet al niet genoeg kapot gemaakt hebben met hun onwetendheid. U heeft er goed aan gedaan, Machtige Beuk, om de oorlog te verklaren aan Malle Eik. En zo ben ik nu een echte spion en fier het te zijn. Spioneren is gevaarlijk. Ik moet ongemakkelijk dicht bij de vijand blijven. Bosmuizen beschikken over een scherpe reuk- en gehoorzin, zijn dol op insecten, en voelen zich voortdurend hongerig. Ik was dus verplicht om een stevige voorzorgsmaatregel te nemen. Zodra de doorgang naar het muizenhol klaar was, kon ik de bevriende zwamdraden van Cantharel overtuigen om me te helpen. Zij bevolken het einde van de gang met hun meest geurende extensies en maskeren zo mijn lijkgeur. Ik prijs me ook gelukkig dat zij het zijn die deze boodschap nu naar u doorseinen.

Vijf zondelen geleden kende mijn dagelijks spionagebezoek een eerste succes. Aanvankelijk was ik in de war. Ik zag hoe Oppermuis naarstig het ene na het andere blad van adelaarsvaren de lege ruimte in sleepte. Voor zover ik weet, eten muizen geen adelaarsvaren. Na een tijdje viel het me op dat hij er met grote precisie een bed van maakte. Daarna legde hij een voorraad vruchten van braam aan. Ondertussen piepte en zong hij dat het een lieve lust was. Na de vruchten kwam hij aanzetten met goudveil, jonge netels en een dode regenworm. Ik vroeg me af waarom hij die niet opat. Hij bewaarde ze duidelijk voor iets of iemand. Zonder op of om te kijken werkte hij voort.

Veilig verborgen achter mijn levende gordijn en vrolijk om mijn slimme list met Cantharel, begon het me te dagen dat ik iets belangrijks had gezien, hoewel ik het nog niet kon plaatsen. Toen werden mijn zintuigen geprikkeld door vertrouwde geuren en keerde ik terug naar het kadaver, waar mijn partner op me wachtte. We paarden opnieuw. Nog in de roes van het samenzijn, legde ik mijn eitjes in de kraamkamer die we uitgebeten hadden in de buik van het vogellijkje. We vergaten de taferelen in het hol van Oppermuis en gaven ons over aan de routine van het bereiden van gehaktballetjes voor onze kroost. Enkele zondelen later braken de larven uit de eitjes, en vanaf dat moment kauwden we maden en het ingemaakte vlees voor en voedden daarmee geduldig onze jongen. Mijn partner en ik zijn echt fier op onze samenwerking en dat delen we door regelmatig de dikke knotsen van onze antennes tegen elkaar te slaan. Natuurlijk controleerde ik het muizenhol intussen af en toe. Oppermuis at van zijn voorraad, maar vulde die telkens weer aan.

Gisteren, in de nacht van Volle Maan, terwijl ik op het laatste balletje kauwde, voelde ik plots een onbekende, krachtige energiegolf die van bij het gordijn van Cantharel leek te komen. Kon het de energie van een mens zijn, een ongenaakbare zoals u die noemt? Dan toch? Vaak heb ik over hen horen vertellen, maar omdat ik veelal onder de grond leef, ligt het niet voor de hand om er zomaar een tegen het lijf te lopen. En maar goed ook, want volgens u richten ongenaakbaren het grootste onheil aan. Met hun angstige gedachten sturen ze verstorende trillingen door heel het bos. Hun vibraties zijn kwetsend, heel anders dan die van stervende dieren, planten en bomen. Die stralen slechts zachte golven van angst uit, die wij maar te volgen hebben tot bij de bron. Daar wachten we vervolgens tot de laatste adem is uitgeblazen. Een beetje geduld en we hebben weer voldoende eten voor een paar weken. Dit voelde heel anders. Duizend onweders intenser. Ik liet de larven zich in de grond terugtrekken om zich daar te verpoppen en liep meteen in de richting van de vreemde golven, door de lange gang die leidde naar het hol van Oppermuis. De golven waren onweerstaanbaar. Zaligmakend. Ze beloofden een heerlijke maaltijd.

Ik gluurde door het gordijn van Cantharel. Het was opvallend druk in het hol. Oppermuis had vier rode mieren op bezoek. Wat deden levende mieren bij een bosmuis? Waarom werden ze niet onmiddellijk verslonden? De mieren droegen een blad waarop ze iets vervoerden. Muis liet de mieren passeren en ze legden hun vracht op het dikke tapijt van adelaarsvaren. Het ding was nog in leven. Ik herkende armen, benen en rode, lange haren. Dit moest een vrouwelijke ongenaakbare zijn, dacht ik. Maar er klopte iets niet. Het wezentje was kleiner dan mezelf! En toch was het een mens. Jij, Machtige Beuk, hebt het dus bij het rechte eind: Malle Eik wil mensenkinderen opnemen in de bosgemeenschap, en hoewel dit wezen onverklaarbaar klein is, maakt het duidelijk deel uit van haar plan.

Het minuscule mensje rilde en snikte. Ik raakte volledig bedwelmd door de golven die ik opving. Onbeweeglijk zat ik bij het kijkgaatje met een van mijn voelsprieten in de richting van Oppermuis, toen ik voor het eerst in mijn leven kennismaakte met die gruwelijke projecties van de ongenaakbaren. Een reusachtige slang verscheen uit het niets. Ze ontrolde zich voor me, in slow motion, als een enorme bloem die uit het varenbed groeide. De slang siste, opende haar bek en toonde een lange, gespleten tong. Nog maar net was ik achteruit gerend of de slang verdween en maakte plaats voor een verrukkelijk uitziend rottend wezen. Mijn instinct leidde me ernaartoe. Maar ook hier was iets eigenaardigs aan de hand. Ik voelde hoe het wezen elk leven uit me leek te trekken, tot ik alleen nog wilde sterven. Ook dat monster verdween weer en ik kreeg een enorme oude wilg te zien, die wild met zijn takken sloeg. Ik deed enkele stappen achteruit, terwijl ik langzamerhand begon te begrijpen dat ik helemaal niet werd aangevallen. Al die beelden waren verzinsels die wel afkomstig moesten zijn van het kleine mensenhoofd. En ik ervoer die beelden als levensecht. Ik kon dus mensengedachten lezen. Dat is wat menselijke vibraties met ons doen. Ze laten ons reizen in een andere dimensie. Met dat inzicht nam de bedwelming af. Een enorme zwarte hond rende mijn richting uit, maar hij verdween op een paar centimeter afstand van het gordijn. Ze bleven komen, de meest griezelige en afschrikwekkende wezens, maar ze overvielen me niet meer.

Ik was werkelijk onder de indruk. De energiegolven, die de beelden voortbrengen, zijn inderdaad een sterk wapen. Geen wonder dat die frequentieklutsers zoveel vernieling weten aan te richten. Het kostte me veel moeite om kalm te blijven toen een reusachtige rat met vlijmscherpe tanden op me afkwam, maar voor ik het wist werd ook die weer vervangen. Een harige spin kroop uit de hoek waar het mensje was achtergebleven. Daarna vloog een vleermuis op me af, meteen gevolgd door een combinatie van abstracte symbolen die in de lucht bleven hangen. Ik begreep niet wat ze betekenden. Oppermuis, die zich naar de ongenaakbare boog, leek er wel iets van te maken.

‘Alis met een s? Ja, volgens Boomlief is dat inderdaad je naam,’ piepte Oppermuis hoopvol. De ongenaakbare leek hem niet te verstaan. Het wezentje bewoog voorzichtig, waarbij het stoffige vel, dat lang en los rond haar lichaam hing, een ongewoon schurend geluid maakte. Ze had ook veel en lang haar. Gefascineerd bleef ik zitten.

Ik zag dat Oppermuis het hol verliet, maar hij stond meteen weer binnen. Zijn klieren wasemden stress uit. Iets had hem onrustig gemaakt. Onmiddellijk reageerde ik met een nieuwe gevechtshouding achter het geurige gordijn. Vier andere mieren brachten een tweede ongenaakbare binnen en zijn gedachten creëerden weer heel nieuwe beelden. Niet alleen gloeiende monsters met horens vulden nu het hol, maar ook grote, langwerpige metalen voorwerpen die vuur schoten, hollende paarden en mensen die dood neervielen en weer opstonden. Ik rook ook plastiek, de ellende van alle doodgravers. Plastiek is niet kapot te krijgen. Als ik het al in stukjes kan bijten, dan is het niet te verteren. Meer dan één doodgraver heeft er al zijn gezin aan verloren of er zelf het leven bij gelaten.

Oppermuis piepte hoog. De donkergrijze haren op zijn rug bleven rechtop staan tot de mieren weer met het wezentje vertrokken.

Ik besliste om mijn partner te roepen via het ondergrondse zwammennetwerk van Cantharel. Hij mocht dit spektakel niet missen. Al snel kwam hij aanrennen. Een tijdje bleef hij als versteend staan, bedwelmd door de beelden die uit het hoofd van de eerste ongenaakbare bleven stromen. Toen legde hij zijn voelspriet liefdevol tegen de mijne.

‘Maak je geen zorgen, liefste. Machtige Beuk ziet alles. De ongenaakbaren zijn gearriveerd, precies op het tijdstip dat hij had voorspeld. Als hij het plan van Malle Eik zo kan doorzien, zal hij er met jouw hulp ook snel een einde aan kunnen maken. Die ongenaakbaren, hoe benevelend hun golven ook zijn, brengen alleen maar gif en vernieling naar het woud. Je moet kalm blijven en gedetailleerd verslag uitbrengen.’

Dus dat is wat ik doe, Machtige Beuk. U kan op me rekenen.