Week 4

3

Hooiwagen

Phalangium opilio

Eindelijk weer thuis. Een gelegenheid om een hap te nemen van deze heerlijke pissebed.
Tjonge, dat was me een tocht met Alis. Natuurlijk heb ik haar gezond en wel teruggebracht naar het muizenhol. Oppermuis had het niet gekund. Hij is van nature bang en door deze speciale opdracht van Boomlief is zijn angst alleen nog toegenomen. Die muizen zeggen wel dat ze ’s nachts tijd en rust nodig hebben om te jagen op insecten en ander voedsel. Maar de echte reden is dat ze liever niet met zo’n opvallend mensenwezen door het bos lopen. Met zo’n mensje op hun rug zouden ze een nog gemakkelijkere prooi zijn voor een scherpziende bosuil of een slang met zijn infrarood ogen. Daarom heb ik mijn diensten aangeboden voor het nachtprogramma van Boomlief. Yep, vannacht heb ik Alis mee op pad genomen.

Daarmee nam ik een groot risico, want eender wie met Alis naar buiten gaat, loopt extra gevaar. Niemand in het Netwerk zal de aankomst van dat meisje vergeten. En niet alleen omdat ze het eerste mensenkind was dat bij Boomlief arriveerde. De vier Mieren die haar droegen waren zich ongetwijfeld bewust van hun bijzondere lading. Voorzichtig hadden ze zich door de humuslaag bewogen, een beukenblad tussen hen in met daarop dat eerste mensenwezentje. Alleen Boomlief wist wie ze was. Wij hadden er het raden naar. Allerlei gissingen hadden de ronde gedaan in het Netwerk. Welke mensen zou Boomlief uitgekozen hebben?

Toen de Mieren verschenen van achter Zilverberk, verbaasden we ons er allemaal over dat Alis zo klein was. Het zou onze taak wel vergemakkelijken. Het gezelschap werd begeleid door Boomklever, in de hoop dat haar gefluit – waarvan Boomlief gelooft dat dat het meest op mensentaal gelijkt – de ongewone bezoekster wat gerust kon stellen. Maar Alis was helemaal niet rustig. Ineengedoken van angst zat ze te rillen op het beukenblad. De Mieren bogen voor Boomlief en legden het blad aan haar bemoste wortels.

Boomlief stelde haar voor: Alis, een mensenmeisje, veertien jaar oud. Ze seinde dat ze alleen jongeren had uitgekozen. Ze leren nog snel, voegde ze eraan toe. Van het meisje zelf kregen we alleen haar lang, rossig krulhaar te zien. Haar gezichtje klemde ze strak tussen haar knieën. In haar minuscule hoofd heerste het grote onweer waar het hele bos op zit te wachten, donders en bliksems, harde windstoten en liters regen die over haar rug stroomden. Oh, wat snakten we allemaal naar dat plenzende water. Stilletjes keken we toe en richtten onze harten naar dat kleine meisje. Al het licht en alle zon en elke vreugdevolle sprong en elke val die we vandaag beleefden, stuurden we haar. We gaven het beste van onszelf aan dat meisje. Pas toen alle energie stevig rond haar was gebundeld, werd ze rustiger en durfde ze haar blik op te richten.

Even zag Alis de bomen, takken en blaadjes. Dat was geruststellend. Maar toen Hazelworm haar van dichterbij wilde bekijken, zagen we haar stress weer toenemen. Arm meisje. Ze was diep ongelukkig, maar ook razend interessant. Zoals andere mensen in het bos, droeg ze een soort ‘overhuid’. Maar ze droeg ook iets anders, iets veel onrustwekkender. Nog maar net had ze zich opgericht, of er luidde een angstkreet door de ceremoniële cirkel. Het was Ree.

‘Ruik wat ze om haar middel draagt!’ Alle snuiten richtten zich op het mensenlijfje. Ze droeg een tasje op haar buik dat inderdaad een geur verspreidde van dood konijn. Hier en daar bolde het wat op.

Even leek het alsof Ree verstijfd zou blijven staan, voor altijd. De angst die ze uitstraalde, verlamde ons hele gezelschap. Dit mensenmeisje maakt het zichzelf en ons moeilijk, dacht ik, met die dode huid om haar buik. Hoe moeten we haar beschermen? Ze geeft de Strijders van Machtige Beuk alle reden om haar te villen.

Maar angst roept moed op in sommigen van ons. Ik kan snel rennen met mijn lange poten en ik ben zelfverzekerder dan alle muizen bij elkaar. Ik was er dus van overtuigd dat ik Alis veilig naar de planten en dieren kon brengen die hielpen bij de voorbereidingen voor het plan. Naar Braam bijvoorbeeld, die een hoop vruchten heeft afgestaan. Of naar Beuk, die haar met zijn pluizige bloemen van beddengoed heeft voorzien, of naar Adelaarsvaren, die de matras heeft bezorgd. Bovendien ben ik nog erg fit. Ik ben namelijk nog maar net volwassen. In februari ben ik uit mijn eitje gekropen en na tien vervellingen leid ik nu eindelijk sinds enkele maanden een autonoom leven.

Vannacht trok ik dus naar het hol van Oppermuis. De ingang baadde in het zachte schijnsel van de Maan die voluit op de wortels van Jonge Beuk scheen. Toen Oppermuis me zag, liep hij naar het varenbed waarop Alis lag. Hij probeerde haar aandacht te trekken door haar zachtjes met zijn poot aan te raken. Ze kromp ineen.

‘Hooiwagen is gearriveerd, heel speciaal voor jou,’ piepte hij. ‘Het is tijd voor een ritje door het bos. Hij is je rijdier. Onze plantenvrienden kunnen niet wachten om jou te leren kennen.’ Tot mijn grote verbazing stond Alis niet op. Oppermuis legde nu zijn poot op haar been om haar aan te moedigen. Alis gilde het uit. Gelukkig kon Oppermuis voor me vertalen.

‘Waar ben ik? Waarom ben ik zo klein? Wat zijn jullie met me van plan? En waarom heeft mijn telefoon geen bereik? Geef antwoord, of ik blijf schreeuwen!’ Haar stem trilde op een hoge frequentie en veroorzaakte een beangstigend intense vibratie. Ik zag hoe Oppermuis een moment in zichzelf keerde. Daarna snuffelde hij met zijn spitse snuit aan het hoofdeinde van haar bed. Hij piepte zijn antwoorden zo helder hij kon, maar hij leek te beseffen dat hij de mensentaal niet actief beheerste. U heeft zich toch niet vergist, Boomlief? U koos de Muizen als uitverkoren gastheren, precies omdat ze volgens u een gemeenschappelijk verleden delen met de mens. Ze zouden voortkomen uit het geslacht dat in de veertiende eeuw zijn intrek nam in de oude Priorij. Een honderdtal winters leefden ze samen met mensenwezens en in het bijzonder met de mysticus Jan van Ruusbroec, die hen zelfs in zijn geschriften zou hebben vermeld. Een enorme brand deed hen op de vlucht slaan naar het bos. Doorheen de eeuwen verhuisden ze meter per meter dieper het bos in. Maar in hun genen zouden ze nog die lange geschiedenis dragen en ook alle kennis die ze in het gezelschap van de broeders hebben opgedaan. Ook u, Boomlief, maakte de grote bloeiperiode van de Priorij mee. Keer je naar binnen, seinde u de Muizen, luister naar je cellen, zodat jullie je de ervaringen van jullie voorouders kunnen herinneren. En ja, Oppermuis begrijpt de mensentaal nog grotendeels. En dat is hoognodig, want niemand van ons begrijpt hen. En volgens u, Boomlief, zouden mensen niet altijd zeggen wat ze denken. Maar dat de mensenwezens van vandaag ook de Muizen begrijpen, blijkt nu dus een illusie.

Het meisje perste haar lippen op elkaar en zette een koppige blik op. Ondertussen schoten haar ogen rond in het hol, als een gevangen dier dat wanhopig op zoek is naar een ontsnappingsroute. Een eindeloze stroom onbegrijpelijke beelden rolden uit haar hoofd. Ze schudden mijn fijne lijf door elkaar. Dodelijk vermoeiend was het. Even snel als ze oprezen, waren ze weer verdwenen. Als we met de mensenwezens verder willen, bedacht ik me, moeten we die beelden leren wegfilteren. Ik bewoog me in de richting van Alis. Met mijn acht lange poten moet ik indruk gemaakt hebben op haar, want ze schreeuwde het weer uit.

Beelden van spinnen stroomden het hol in, van kleine kruisspinnen tot gevaarlijke tarantula’s. Maar ik ben helemaal geen spin! Geïrriteerd bewoog ik mijn poten. Dit mensenwezen besefte dus niet dat ik van schorpioenen afstam. Wij, hooiwagens, spuiten geen gif. Onze romp bestaat uit één en niet uit twee delen. Wij maken geen webben. Wij hebben maar één paar ogen en zien daardoor trouwens niet goed. En het allerbelangrijkste is dat wij, mannen, penissen hebben! En dat die in erectie kunnen gaan.

Alis bleef krijsen vanuit haar hoekje. Ik begon in te zien dat het lastig zou worden om een van haar vlezige armen elegant met mijn gevoeligste poot aan te raken, zoals ik het me had voorgenomen. Op tijd en stond verzin ik wel een manier. Wij, hooiwagens, zijn immers niet van gisteren. Onze soort is al meer dan 400 miljoen jaar oud. En jullie weten allemaal dat we in al die tijd niks veranderd zijn, geen extra staart, geen schild of dikkere poten. We zijn de enige diersoort die van in het begin aangepast was aan alle mogelijke omstandigheden op aarde. Met hooiwagens sol je niet. Zelfs en zeker niet als je een mens bent.

Ik seinde mijn plan naar Oppermuis. Die knikte. Ik ging op de grond liggen, waarbij ik mijn poten helemaal ontspande. Oppermuis riep de hulp in van Melkzwam, die zich ook onder zijn nest uitstrekt. Ja, misschien kon het meisje, net als wij allemaal, via de zwammen communiceren? Het gaat tenslotte toch om energie en kunnen niet alle levende wezens op aarde die aanvoelen?

‘Kom gewoon je bedje uit en eet misschien een stukje Goudveil. Het is onze delicatesse.’ Oppermuis schuifelde een groengeel blaadje naar Alis’ bed en bleef haar fluwelen trillingen toesturen. ‘Onze voorouders vonden Goudveil maar banaal. Het had geen smaak, zeiden ze, en het was overal te vinden. Maar nu niet meer. Wanneer wij Goudveil zien, dan jubelen we. Want dan weten we dat de beek of het meertje waarlangs Goudveil leeft, zuiver water heeft. En dan eten we niet alleen, maar dan drinken we ook ons buikje vol.’ Oppermuis ging nog even door. Ik voelde een lichte kramp opzetten in mijn vierde poot. Na een tijdje hield ik het niet meer uit. Ik stond op het punt om Oppermuis te seinen dat ik er zonder het meisje vandoor ging, toen de boodschap eindelijk leek door te dringen. Alis begon beelden te produceren van etende mensen omringd door dampende gerechten en ze nam het blaadje aan. In sneltempo knabbelde ze het op. Oppermuis gebaarde dat er meer was aan de andere kant van het hol en dat ze mee moest komen. Als bij wonder stond Alis gedwee op en volgde Oppermuis.

En zo liep ze in de val. Snappen jullie dat? Alis besefte niet dat ze midden in de ruimte op een van mijn poten trapte. Meteen veerde ik recht. Alis moest zich wel aan mijn poot vastgrijpen als ze niet wilde vallen. Voor het meisje kon reageren, glipte ik tussen de beukenwortels door naar buiten. Weg waren we, ons nog onbewust van het avontuur dat we tegemoet gingen.