Anaïs Berck

  • Publications
  • Projects
  • À la carte
  • Agenda
  • About
  • Contact
  • en
  • es
  • fr
  • nl
  • Week 1

    The Guardian

    Onafhankelijk dagblad sinds 1821

    Madrid, 11 oktober 2037

    ‘Planten nemen wraak op roofzuchtige mensheid’

    Be the Change!, een wereldwijd netwerk van jongeren, kaapt de klimaatconferentie COP42 al op de openingsdag. Hun woordvoerster, Alis De Vos, onthult dat eetbare planten nu systematisch de mensheid via hormonen onvruchtbaar aan het maken zijn. Ze kan met planten communiceren, beweert ze, en ze laat verstaan dat die zich tegen de mensheid keren.

    ‘Wij doden de natuur, en de natuur geeft ons een klap terug,’ zei De Vos, een Belgische wetenschapster en een van de leiders van Be the Change! in een speech die nu al de sensatie van de COP42 is. De Vos en haar team ontdekten dat de hormoonproductie in planten veel wijdverspreider is dan tot nu toe is aangenomen. In grootschalige fruitplantages produceren planten de menselijke vrouwelijke hormonen oestrogeen en progesteron in doses die vergelijkbaar zijn met die van de anticonceptiepil. De Vos onderzocht vijf megaplantages op verschillende continenten. Overal produceren de bomen veel hogere niveaus van hormonen.

    Het was al sinds de jaren negentig bekend dat intensief geteelde aardappelsoorten en dadelpalmen almaar hogere niveaus oestrogeen en progesteron produceren. Wetenschappers zagen die oplopende bedreiging voor de menselijke vruchtbaarheid toen als een gevolg van genetische manipulatie en het gebruik van een nieuwe klasse van chemische pesticiden. Alis De Vos duidt op een veel breder fenomeen: ‘Wij hebben sterk bewijs dat de bladeren, vruchten en zaden van alle planten die we onderzochten, almaar hogere doses hormonen bevatten. Ook zonder genetische manipulatie, en ook in teelten die niet met chemicaliën worden behandeld. Er is geen andere interpretatie mogelijk: planten stellen grenzen aan menselijke vruchtbaarheid.’

    Dat is een collectieve plantaardige actie, concludeert Be the Change!. ‘Zolang wij mensen de prioriteit blijven geven aan groei-economieën en buitensporige winsten, zolang we mishandeling en uitbuiting toelaten om die doelen te bereiken, zolang zullen de planten zich verweren.’

    Sinds de oprichting in 2032 is Be the Change! uitgegroeid tot een wereldwijd netwerk van ecologisch geëngageerde jongvolwassenen. De Vos verbijsterde het publiek van COP42 met een tweede revelatie. Haar roman Bosberichten, bekend dankzij de succesvolle animatieserie, is geen fictie, beweerde ze. Het boek vertelt het verhaal van zes jongeren die worden ontvoerd door een Moederboom die hen naar het bos brengt om te leren hoe ze respectvol met de natuur kunnen omgaan. ‘Ik heb dat verhaal niet verzonnen,’ onthulde De Vos. ‘Die ontvoering is mij en mijn vrienden echt overkomen - hoe onwaarschijnlijk dat ook mag lijken. Dat avontuur lag aan de basis van Be the Change!’

    Volgens De Vos begonnen Moederbomen in bossen over de hele wereld vijftien jaar geleden jongeren te rekruteren om hun houding tegenover de natuur radicaal om te gooien. Voor de deelnemers was het een overweldigende ervaring die hen samenbrengt in het netwerk van Be the Change!. Ze hebben al die jaren gewacht om het verhaal te vertellen.

    ‘Niemand zou ons toen geloofd hebben,’ legde De Vos uit aan een sprakeloze zaal vol gezagsdragers en diplomaten, ‘u had ons wellicht laten afvoeren naar de psychiatrie. De tijdsgeest is gelukkig veranderd. U begint de kracht en de betekenis van de natuur eindelijk te begrijpen. Rivieren, wouden, bergen en meren krijgen rechtspersoonlijkheid; uw regeringen nodigen sjamanen uit voor overleg. Logisch ook. Meer-dan-menselijke wezens spelen een centrale rol in series en verhalen.’

    Be the Change! leerde van de Moederbomen dat er maar één oplossing is om de nakende onvruchtbaarheid af te wenden: de mensheid moet haar houding radicaal veranderen. Op alle continenten, tegenover alle natuurlijke hulpbronnen en alle andere levende wezens.

    ‘Het is een kwestie van leven en dood voor het voortbestaan van het menselijk ras op deze planeet,’ besloot De Vos, voor ze hulde bracht aan de bomen, waarbij ze de zaal in een beladen, meditatieve stilte onderdompelde.

  • Week 2

    1

    Bosmuis

    Apodemus sylvaticus


    Beste vrienden van het Netwerk van Boomlief, er is hier iets ongelooflijks aan de gang. Ik ben blij dat ik even kan inloggen om het jullie live door te seinen. Ik zou op dit moment niet weten wat gedaan zonder de uitgebreide ondergrondse vertakkingen van Melkzwam die onze boodschappen snel doorsturen. Wat ik meemaak, is onbeschrijfelijk. Misschien dat andere muizen van onze clan hetzelfde beleven? Ik vraag het me af.

    Maar eerst wat context, want na onze bijeenkomst bij Boomlief daarstraks, kwam ik alleen thuis. Ik was de enige van al mijn broers en neven die geen menselijke gast had ontvangen, en ik vroeg me af waarom dat zo was. Mijn hol is gezellig en net. Alle hoekjes zijn opgevuld met mos en beukenzaadjes en het ruikt hier heerlijk. Wat er ook van zij, ik besliste om mijn eenzaamheid weg te knabbelen met het lijfje van een vlinder dat ik vanmorgen vond. Het kalmeerde me. Ik was net mijn snorharen beginnen te groomen, toen ik vier Rode Mieren ongevraagd mijn nest zag binnenkomen.

    Ik schrok. Ze hielden een beukenblad tussen hen in, met daarop een van de zes mensenkinderen die we tijdens de bijeenkomst met Boomlief zagen. Het was de jongen die als laatste was gearriveerd en voor wie mijn oudste broer, Machtige Muis, zijn leven had opgeofferd.

    ‘Je Neef Oppermuis wilt deze jongere niet,’ baste de oudste Mier. ‘Hij vindt één mensenkind in zijn hol genoeg. Dus deze is voor jou. Zijn naam is Renzo.’ Ze legden het blad neer. Ik had weinig keuze. Ik had Boomlief immers beloofd haar plan te steunen. Toch voelde ik ook opluchting: nu was ik echt deel van het project. Haastig rende ik naar buiten om wat Adelaarsvaren bijeen te frutselen voor een geïmproviseerd bed. De Rode Mieren duwden de jongen erop. Hij moet moe geweest zijn, want hij viel meteen in slaap. Hij ronkte zachtjes en af en toe stampte hij met zijn voeten. Zo nu en dan liep ik rond zijn bed en snuffelde aan zijn haar en huid. De jongen is een combinatie van ongewone geuren, texturen en kleuren.

    Beste Boomlief, beste leden van het Netwerk, op dat hoopje groen ligt hij nu nog altijd, Renzo, het mensenkind dat mijn neef niet wilde ontvangen. Maar sinds hij is ingeslapen, gebeurt er dus iets bovenaards. Ongezien. Niet te geloven. U, Boomlief, in al uw grootsheid, u vult mijn minuscule hol helemaal op met uw enorme aanwezigheid. Hoe is dat mogelijk? U, oude Eik, beschermster van alle wezens die in uw schaduw leven, u bent hier te gast. Wat een eer! Ik loop naar u toe, maar ik voel u niet. Het is alsof ik door u heen kan lopen. Dat ik u zomaar kan zien, terwijl ik geen poot buiten mijn hol heb gezet: het is onwaarschijnlijk. U bent er helemaal, groot en groen en eeuwenoud. Ik hoor de wind door uw bladeren ruisen. Ik kan zelfs horen hoe u moeiteloos uw 800 liter water per dag opslurpt.

    Rondom u verschijnen ook alle andere bomen en planten die u mee in leven houdt. Allemaal hier in mijn nest! Daar zijn de veel jongere eiken, beuken en berken, die dankzij uw netwerk nog sterk en groen zijn. Ook bosklaver en mannetjesvaren staan hier kaarsrecht. Iedereen straalt van dankbaarheid. Zelfs de allerkleinsten, de baby-eikjes, esdoorns en beuken reiken hun twee minuscule blaadjes fier naar boven. Ze zijn kerngezond, klaar om de hoogte in te gaan.

    Oh heilige Mossen en Maden, dit kan niet waar zijn! Hier arriveren nu ook de dieren. Zomaar. Een uur geleden zag ik jullie nog allemaal tijdens de welkomstceremonie. Zou het kunnen dat Renzo de bron van de beelden is? Beleven al mijn neven die mensenkinderen huisvesten dit ook? Bezitten mensen een bijzonder orgaan dat herinneringen oproept tijdens hun slaap? En heilige Maden, kijk! Daar ben ikzelf ook! Een perfecte kopie! Dit is buitengewoon!

    Boomlief, ik weet dat u de diepe wens koestert om de planeet te redden. Ik weet dat u gelooft dat een groter bewustzijn bij de mensen daarvoor essentieel is. U wilde uw noodplan dan ook lanceren op een speciaal moment. Alle bewegende sterren, zei u, zouden vandaag samen zichtbaar zijn, wat betekent dat er een universele schoonmaak wordt gehouden. Alle negatieve energie van de voorbije zes maanden kan nu oplossen. Daarom activeerde u het noodplan vandaag. En het begon met zes jonge mensen naar het bos te brengen waar ze, door uw magie verkleind tot de maat van lieveheersbeestjes, een tijdje zullen verblijven.

    U vertelde ons over het verontrustende vermogen van deze kleine mensjes om hun gedachten, al dan niet bewust, te projecteren in de lucht om zich heen. Ik was dus gewaarschuwd, maar erover horen is één ding, er oog in oog mee staan iets heel anders. Ik voel de behoefte om het hier nu allemaal door te seinen, terwijl de beelden als bliksemschichten voorbijvliegen. Ik weet dat het illusies zijn, maar ze lijken zo echt. De stroom beelden die op me afkomt, verdrijft de zachte schaduwen van mijn hol. De hele ceremonie die ik net bij u heb meegemaakt, wordt hier voor mijn ogen herhaald.

    Ik zie hoe Kraai neerstrijkt op een tak net voor me. Daar is ook Hazelworm, die zich schuilhoudt onder de Varens. En Merel, Vink, Boomklever en Koolmees, die lustig rondfladderen. Jaloers ben ik op jullie, vogels. De jongen weet nu ook Ree in mijn hol tevoorschijn te toveren, met haar prachtige, donkere, ronde ogen waarmee ze nauwelijks vormen kan onderscheiden. Voorzichtig loopt ze heen en weer in mijn nest, alsof haar lichaam veel te groot voor haar is. Ze doet enkele fijne stappen en wacht dan een poos. Elke jonge netel, braam, varen en elke boomwortel onderzoekt ze om er zeker van te zijn dat ze niemand vertrappelt. Op andere plekken zou ze wel een blaadje lusten, maar niet hier, en zeker niet op dit moment.

    Want zelfs al weet ik dat het niet echt is, toch voel ik opnieuw hoe Boomlief haar elektromagnetische veld verhoogt tussen haar kruin en wortelstelsel. Tot vandaag heeft elk van ons die haar verhoogde zone binnenkwam, zich altijd vanzelf aangesloten op haar frequentie en is het er altijd voor iedereen veilig geweest. Maar vanavond was anders.

    Nu vliegt Reiger mijn hol binnen. Timide landt hij op een breed uitgelopen tak van Boomlief en vouwt zijn enorme vleugels tot een comfortabele jas. Ook dit beeld stroomt uit het hoofd van de jongen die nog altijd uitgestrekt op het varenbed ligt. Hoe fijn zou het niet zijn om de winter door te brengen in gezelschap van zo’n mensenwezen. Ik zou me die lange, donkere maanden vermaken met levensgrote beelden die vrij zijn van elk gevaar. Oh, en daar is ook Eekhoorn. Ze strekt zich uit op Boomliefs dikste zijtak, de meest koele plek die je maar kan vinden tijdens deze hete zomer. Kraai zit een tak hoger, zijn gitzwarte staart raakt de pels van Eekhoorn net niet. Alleen mijn broers en mijn drie jongere neven ontbreken. Maar natuurlijk, zij waren al vertrokken voor deze jongen, de laatste in de rij, arriveerde. Elk van hen had al een mens mee naar huis genomen. Hier in dit visioen dat de jongen in mijn nest projecteert, lijkt iedereen ongewoon kalm, hoewel ik me goed herinner in welke staat van paraatheid we allemaal verkeerden. Maar dat kan de jongen natuurlijk niet weten, hij heeft de Nijlgans niet zien overvliegen. Achteraf bekeken ging het toch om pure provocatie, niet? Nog voor het eerste mensenkind was toegekomen, bracht de gans met zijn luid gegak de hele omgeving op de hoogte van wat geheim had moeten blijven.

    ‘Ze arriveren. Zes in totaal! Zes! Kunnen jullie dat geloven? Malle Eik heeft het gedaan! Ze heeft zes verdomde ongenaakbaren naar het bos gebracht om hier alles voorgoed kapot te maken! Wij, de Strijders van Machtige Beuk, gaan in de aanval!’

    Opnieuw voel ik de angst die ons allemaal verlamde. Er was een verrader in het spel. Maar u, Boomlief, u bleef onverstoord harmonieuze golven uitstralen over de hele breedte van uw kruin en wortels. U zinderde van liefde, ook voor de Nijlganzen. Wie zijn die Strijders van Machtige Beuk? Hoe komen we dat te weten? Niemand van ons heeft ooit van hen gehoord. Van Machtige Beuk wel natuurlijk, hij is de grootste van de beuken, eiken, esdoorns en lindes die langs de bospaden en wegen groeien. In deze hitte leven ze met hun laatste krachten. Maar dat ze een strijdersbende hebben gevormd die de oorlog aan Boomlief verklaart? Dat is toch totaal onverwacht.

    De droombeelden van de gekrompen Renzo arriveren nu in stroomversnelling en vloeien zelfs in elkaar over. Ja, kijk hier! Koolmees slaat alarm. Er is een vijand in de buurt. Koolmees vliegt op, snel en lichtjes vallend in de lucht zoals alleen Koolmezen dat kunnen. Oh, ik voel weer dezelfde spanning! Mijn lijfje trilt en ik knars mijn scherpe tanden over elkaar. Ik herinner me hoe ik Boomlief hielp om haar beschermende veld te versterken. Elk van ons deed hetzelfde. Al onze levensenergie richtten we op u, Boomlief. We gaven ons volledig over aan onze opdracht, want met uw oeroude wortels en verregaande netwerken, bent u onze eeuwige bron. Aan u hebben we ons lustige leven te danken. U willen we dienen, in goede en kwade tijden.

    Nooit zou ik geloofd hebben dat het verhoogde energieveld van Boomlief doorbroken kon worden, maar allemaal voelden we de lichte verstoring. Iets afschuwelijks kondigde zich aan. Kijk daar! Dreigend en boos komt Havik mijn nest ingevlogen, recht op me af. Ik sidder bij het zien van de bruine vogel met zijn gele klauwen en de messcherpe, staalharde nagels die al menig familielid vermoordden. Mijn hol vult zich met het paniekerige gekwetter, geblaat en gehuil van de hele aanwezige clan, netjes opgeslagen in het hoofd van de jongen. Havik komt zo dichtbij dat ik alleen nog de rimpelige huid van zijn kromme klauw zie. Precies op het moment dat ik denk dat ik verslonden zal worden, verdwijnen alle beelden. Ik schrik nog meer van de kreet waarmee de jongen wakker wordt.

    ‘Help! Help!’ schreeuwt hij. ‘Wat een ramp!’ Daarna draait hij zich om en valt opnieuw in slaap.

    Zou Havik zich misschien bij de Strijders van Machtige Beuk hebben aangesloten? In elk geval is het duidelijk dat hij Renzo wilde meenemen. Die werd net op tijd weggeduwd door mijn oudste broer, Machtige Muis, de meest nobele van alle Bosmuizen. Het laatste wat ik me van mijn broer herinner, zijn de fijne pootjes, bengelend aan de klauwen van Havik, die een laatste saluut brengen. Hij heeft zijn leven gegeven voor de jongen die hij thuis wilde ontvangen. Boomlief, het verlies van een familielid is niet te vatten, maar ik heb woord gehouden. Nee, ik was er niet op voorbereid om een mensenwezen te ontvangen, maar het noodlot heeft anders beslist. Als helper sta ik ten dienste van u, Boomlief, en van het plan.

  • Week 3

    2

    Doodgraver

    Nicrophorus vespilloides

    Machtige Beuk, ik hoop dat u nooit zal vergeten dat ik het ben die u als eerste vertel over de komst van de mensenjongeren in het bos. Vindt u ook niet dat die primeur goed bij me past? Mijn partner en ik, wij zijn veruit de mooiste aaskevers van het woud, glanzend zwart met twee brede, oranje, gekartelde strepen op ons schild. Onze antennes lopen uit op fiere knotsen, waarmee we onversaagd de gevaarlijkste situaties aandurven. Onze lichamen zijn groot en indrukwekkend – veel langer dan de schamele drie centimeter van andere doodgravers – en we paren erop los. Er gaan geen twee weken voorbij of we hebben alweer een nieuw gezin. En dat is maar goed ook, want er kunnen niet genoeg doodgravers met onze genen in het woud wonen. Zeg nu zelf, in de oneindige cyclus van leven en dood zijn afvalverwerkers zoals wij toch van onschatbare waarde?

    Om heel eerlijk te zijn, kijk ik al lang niet meer op van de gelukkige toevalligheden die het leven me toewerpt. Neem bijvoorbeeld het lijkje van de roodborst dat nu dienst doet als kraamkamer voor onze jongste telgen. Twee weken geleden kwam ik het op het spoor. Lekker vers was het. Meteen seinde ik mijn partner. De verrukkelijke geur van een jong lijk maakte ons bijna gek van vreugde. Samen gingen we aan de slag. We zijn een goed team, mijn partner en ik. De bodem onder het lijkje was eeuwenoude humus, uitgedroogd door de voortdurende hitte, en gemakkelijk uit te graven, waardoor we de prooi al snel veilig onder de grond konden verbergen. We trokken de veren en huid van het lijk en bewaarden het rottende vlees met een slijmlaagje. En alsof dat allemaal nog niet voorspoedig genoeg was, bleek dat we het lijkje hadden begraven ter hoogte van het hol van een muis. En niet eender welke muis, maar het opperhoofd van een hele clan. Misschien had u me er wel naartoe geleid, Machtige Beuk? Wie kent de gaven van oude, wijze wezens zoals u? Ik was namelijk precies waar ik op dat moment moest zijn: vlakbij het hol van de vijand. Ik had u immers al mijn woord gegeven, om geheim agent te zijn in deze nieuwe strijd in het bos.

    Tijdens de volgende dagen groeven we een kleine, maar veilige doorgang uit naar het muizenhol. Zoals u had aangegeven, behoort Oppermuis wel degelijk tot de bende van Malle Eik, die het in haar hoofd heeft gehaald om een pact te sluiten met het mensenras. Alsof die tweevoeters de planeet al niet genoeg kapot gemaakt hebben met hun onwetendheid. U heeft er goed aan gedaan, Machtige Beuk, om de oorlog te verklaren aan Malle Eik. En zo ben ik nu een echte spion en fier het te zijn. Spioneren is gevaarlijk. Ik moet ongemakkelijk dicht bij de vijand blijven. Bosmuizen beschikken over een scherpe reuk- en gehoorzin, zijn dol op insecten, en voelen zich voortdurend hongerig. Ik was dus verplicht om een stevige voorzorgsmaatregel te nemen. Zodra de doorgang naar het muizenhol klaar was, kon ik de bevriende zwamdraden van Cantharel overtuigen om me te helpen. Zij bevolken het einde van de gang met hun meest geurende extensies en maskeren zo mijn lijkgeur. Ik prijs me ook gelukkig dat zij het zijn die deze boodschap nu naar u doorseinen.

    Vijf zondelen geleden kende mijn dagelijks spionagebezoek een eerste succes. Aanvankelijk was ik in de war. Ik zag hoe Oppermuis naarstig het ene na het andere blad van adelaarsvaren de lege ruimte in sleepte. Voor zover ik weet, eten muizen geen adelaarsvaren. Na een tijdje viel het me op dat hij er met grote precisie een bed van maakte. Daarna legde hij een voorraad vruchten van braam aan. Ondertussen piepte en zong hij dat het een lieve lust was. Na de vruchten kwam hij aanzetten met goudveil, jonge netels en een dode regenworm. Ik vroeg me af waarom hij die niet opat. Hij bewaarde ze duidelijk voor iets of iemand. Zonder op of om te kijken werkte hij voort.

    Veilig verborgen achter mijn levende gordijn en vrolijk om mijn slimme list met Cantharel, begon het me te dagen dat ik iets belangrijks had gezien, hoewel ik het nog niet kon plaatsen. Toen werden mijn zintuigen geprikkeld door vertrouwde geuren en keerde ik terug naar het kadaver, waar mijn partner op me wachtte. We paarden opnieuw. Nog in de roes van het samenzijn, legde ik mijn eitjes in de kraamkamer die we uitgebeten hadden in de buik van het vogellijkje. We vergaten de taferelen in het hol van Oppermuis en gaven ons over aan de routine van het bereiden van gehaktballetjes voor onze kroost. Enkele zondelen later braken de larven uit de eitjes, en vanaf dat moment kauwden we maden en het ingemaakte vlees voor en voedden daarmee geduldig onze jongen. Mijn partner en ik zijn echt fier op onze samenwerking en dat delen we door regelmatig de dikke knotsen van onze antennes tegen elkaar te slaan. Natuurlijk controleerde ik het muizenhol intussen af en toe. Oppermuis at van zijn voorraad, maar vulde die telkens weer aan.

    Gisteren, in de nacht van Volle Maan, terwijl ik op het laatste balletje kauwde, voelde ik plots een onbekende, krachtige energiegolf die van bij het gordijn van Cantharel leek te komen. Kon het de energie van een mens zijn, een ongenaakbare zoals u die noemt? Dan toch? Vaak heb ik over hen horen vertellen, maar omdat ik veelal onder de grond leef, ligt het niet voor de hand om er zomaar een tegen het lijf te lopen. En maar goed ook, want volgens u richten ongenaakbaren het grootste onheil aan. Met hun angstige gedachten sturen ze verstorende trillingen door heel het bos. Hun vibraties zijn kwetsend, heel anders dan die van stervende dieren, planten en bomen. Die stralen slechts zachte golven van angst uit, die wij maar te volgen hebben tot bij de bron. Daar wachten we vervolgens tot de laatste adem is uitgeblazen. Een beetje geduld en we hebben weer voldoende eten voor een paar weken. Dit voelde heel anders. Duizend onweders intenser. Ik liet de larven zich in de grond terugtrekken om zich daar te verpoppen en liep meteen in de richting van de vreemde golven, door de lange gang die leidde naar het hol van Oppermuis. De golven waren onweerstaanbaar. Zaligmakend. Ze beloofden een heerlijke maaltijd.

    Ik gluurde door het gordijn van Cantharel. Het was opvallend druk in het hol. Oppermuis had vier rode mieren op bezoek. Wat deden levende mieren bij een bosmuis? Waarom werden ze niet onmiddellijk verslonden? De mieren droegen een blad waarop ze iets vervoerden. Muis liet de mieren passeren en ze legden hun vracht op het dikke tapijt van adelaarsvaren. Het ding was nog in leven. Ik herkende armen, benen en rode, lange haren. Dit moest een vrouwelijke ongenaakbare zijn, dacht ik. Maar er klopte iets niet. Het wezentje was kleiner dan mezelf! En toch was het een mens. Jij, Machtige Beuk, hebt het dus bij het rechte eind: Malle Eik wil mensenkinderen opnemen in de bosgemeenschap, en hoewel dit wezen onverklaarbaar klein is, maakt het duidelijk deel uit van haar plan.

    Het minuscule mensje rilde en snikte. Ik raakte volledig bedwelmd door de golven die ik opving. Onbeweeglijk zat ik bij het kijkgaatje met een van mijn voelsprieten in de richting van Oppermuis, toen ik voor het eerst in mijn leven kennismaakte met die gruwelijke projecties van de ongenaakbaren. Een reusachtige slang verscheen uit het niets. Ze ontrolde zich voor me, in slow motion, als een enorme bloem die uit het varenbed groeide. De slang siste, opende haar bek en toonde een lange, gespleten tong. Nog maar net was ik achteruit gerend of de slang verdween en maakte plaats voor een verrukkelijk uitziend rottend wezen. Mijn instinct leidde me ernaartoe. Maar ook hier was iets eigenaardigs aan de hand. Ik voelde hoe het wezen elk leven uit me leek te trekken, tot ik alleen nog wilde sterven. Ook dat monster verdween weer en ik kreeg een enorme oude wilg te zien, die wild met zijn takken sloeg. Ik deed enkele stappen achteruit, terwijl ik langzamerhand begon te begrijpen dat ik helemaal niet werd aangevallen. Al die beelden waren verzinsels die wel afkomstig moesten zijn van het kleine mensenhoofd. En ik ervoer die beelden als levensecht. Ik kon dus mensengedachten lezen. Dat is wat menselijke vibraties met ons doen. Ze laten ons reizen in een andere dimensie. Met dat inzicht nam de bedwelming af. Een enorme zwarte hond rende mijn richting uit, maar hij verdween op een paar centimeter afstand van het gordijn. Ze bleven komen, de meest griezelige en afschrikwekkende wezens, maar ze overvielen me niet meer.

    Ik was werkelijk onder de indruk. De energiegolven, die de beelden voortbrengen, zijn inderdaad een sterk wapen. Geen wonder dat die frequentieklutsers zoveel vernieling weten aan te richten. Het kostte me veel moeite om kalm te blijven toen een reusachtige rat met vlijmscherpe tanden op me afkwam, maar voor ik het wist werd ook die weer vervangen. Een harige spin kroop uit de hoek waar het mensje was achtergebleven. Daarna vloog een vleermuis op me af, meteen gevolgd door een combinatie van abstracte symbolen die in de lucht bleven hangen. Ik begreep niet wat ze betekenden. Oppermuis, die zich naar de ongenaakbare boog, leek er wel iets van te maken.

    ‘Alis met een s? Ja, volgens Boomlief is dat inderdaad je naam,’ piepte Oppermuis hoopvol. De ongenaakbare leek hem niet te verstaan. Het wezentje bewoog voorzichtig, waarbij het stoffige vel, dat lang en los rond haar lichaam hing, een ongewoon schurend geluid maakte. Ze had ook veel en lang haar. Gefascineerd bleef ik zitten.

    Ik zag dat Oppermuis het hol verliet, maar hij stond meteen weer binnen. Zijn klieren wasemden stress uit. Iets had hem onrustig gemaakt. Onmiddellijk reageerde ik met een nieuwe gevechtshouding achter het geurige gordijn. Vier andere mieren brachten een tweede ongenaakbare binnen en zijn gedachten creëerden weer heel nieuwe beelden. Niet alleen gloeiende monsters met horens vulden nu het hol, maar ook grote, langwerpige metalen voorwerpen die vuur schoten, hollende paarden en mensen die dood neervielen en weer opstonden. Ik rook ook plastiek, de ellende van alle doodgravers. Plastiek is niet kapot te krijgen. Als ik het al in stukjes kan bijten, dan is het niet te verteren. Meer dan één doodgraver heeft er al zijn gezin aan verloren of er zelf het leven bij gelaten.

    Oppermuis piepte hoog. De donkergrijze haren op zijn rug bleven rechtop staan tot de mieren weer met het wezentje vertrokken.

    Ik besliste om mijn partner te roepen via het ondergrondse zwammennetwerk van Cantharel. Hij mocht dit spektakel niet missen. Al snel kwam hij aanrennen. Een tijdje bleef hij als versteend staan, bedwelmd door de beelden die uit het hoofd van de eerste ongenaakbare bleven stromen. Toen legde hij zijn voelspriet liefdevol tegen de mijne.

    ‘Maak je geen zorgen, liefste. Machtige Beuk ziet alles. De ongenaakbaren zijn gearriveerd, precies op het tijdstip dat hij had voorspeld. Als hij het plan van Malle Eik zo kan doorzien, zal hij er met jouw hulp ook snel een einde aan kunnen maken. Die ongenaakbaren, hoe benevelend hun golven ook zijn, brengen alleen maar gif en vernieling naar het woud. Je moet kalm blijven en gedetailleerd verslag uitbrengen.’

    Dus dat is wat ik doe, Machtige Beuk. U kan op me rekenen.

  • Week 4

    3

    Hooiwagen

    Phalangium opilio

    Eindelijk weer thuis. Een gelegenheid om een hap te nemen van deze heerlijke pissebed.
    Tjonge, dat was me een tocht met Alis. Natuurlijk heb ik haar gezond en wel teruggebracht naar het muizenhol. Oppermuis had het niet gekund. Hij is van nature bang en door deze speciale opdracht van Boomlief is zijn angst alleen nog toegenomen. Die muizen zeggen wel dat ze ’s nachts tijd en rust nodig hebben om te jagen op insecten en ander voedsel. Maar de echte reden is dat ze liever niet met zo’n opvallend mensenwezen door het bos lopen. Met zo’n mensje op hun rug zouden ze een nog gemakkelijkere prooi zijn voor een scherpziende bosuil of een slang met zijn infrarood ogen. Daarom heb ik mijn diensten aangeboden voor het nachtprogramma van Boomlief. Yep, vannacht heb ik Alis mee op pad genomen.

    Daarmee nam ik een groot risico, want eender wie met Alis naar buiten gaat, loopt extra gevaar. Niemand in het Netwerk zal de aankomst van dat meisje vergeten. En niet alleen omdat ze het eerste mensenkind was dat bij Boomlief arriveerde. De vier Mieren die haar droegen waren zich ongetwijfeld bewust van hun bijzondere lading. Voorzichtig hadden ze zich door de humuslaag bewogen, een beukenblad tussen hen in met daarop dat eerste mensenwezentje. Alleen Boomlief wist wie ze was. Wij hadden er het raden naar. Allerlei gissingen hadden de ronde gedaan in het Netwerk. Welke mensen zou Boomlief uitgekozen hebben?

    Toen de Mieren verschenen van achter Zilverberk, verbaasden we ons er allemaal over dat Alis zo klein was. Het zou onze taak wel vergemakkelijken. Het gezelschap werd begeleid door Boomklever, in de hoop dat haar gefluit – waarvan Boomlief gelooft dat dat het meest op mensentaal gelijkt – de ongewone bezoekster wat gerust kon stellen. Maar Alis was helemaal niet rustig. Ineengedoken van angst zat ze te rillen op het beukenblad. De Mieren bogen voor Boomlief en legden het blad aan haar bemoste wortels.

    Boomlief stelde haar voor: Alis, een mensenmeisje, veertien jaar oud. Ze seinde dat ze alleen jongeren had uitgekozen. Ze leren nog snel, voegde ze eraan toe. Van het meisje zelf kregen we alleen haar lang, rossig krulhaar te zien. Haar gezichtje klemde ze strak tussen haar knieën. In haar minuscule hoofd heerste het grote onweer waar het hele bos op zit te wachten, donders en bliksems, harde windstoten en liters regen die over haar rug stroomden. Oh, wat snakten we allemaal naar dat plenzende water. Stilletjes keken we toe en richtten onze harten naar dat kleine meisje. Al het licht en alle zon en elke vreugdevolle sprong en elke val die we vandaag beleefden, stuurden we haar. We gaven het beste van onszelf aan dat meisje. Pas toen alle energie stevig rond haar was gebundeld, werd ze rustiger en durfde ze haar blik op te richten.

    Even zag Alis de bomen, takken en blaadjes. Dat was geruststellend. Maar toen Hazelworm haar van dichterbij wilde bekijken, zagen we haar stress weer toenemen. Arm meisje. Ze was diep ongelukkig, maar ook razend interessant. Zoals andere mensen in het bos, droeg ze een soort ‘overhuid’. Maar ze droeg ook iets anders, iets veel onrustwekkender. Nog maar net had ze zich opgericht, of er luidde een angstkreet door de ceremoniële cirkel. Het was Ree.

    ‘Ruik wat ze om haar middel draagt!’ Alle snuiten richtten zich op het mensenlijfje. Ze droeg een tasje op haar buik dat inderdaad een geur verspreidde van dood konijn. Hier en daar bolde het wat op.

    Even leek het alsof Ree verstijfd zou blijven staan, voor altijd. De angst die ze uitstraalde, verlamde ons hele gezelschap. Dit mensenmeisje maakt het zichzelf en ons moeilijk, dacht ik, met die dode huid om haar buik. Hoe moeten we haar beschermen? Ze geeft de Strijders van Machtige Beuk alle reden om haar te villen.

    Maar angst roept moed op in sommigen van ons. Ik kan snel rennen met mijn lange poten en ik ben zelfverzekerder dan alle muizen bij elkaar. Ik was er dus van overtuigd dat ik Alis veilig naar de planten en dieren kon brengen die hielpen bij de voorbereidingen voor het plan. Naar Braam bijvoorbeeld, die een hoop vruchten heeft afgestaan. Of naar Beuk, die haar met zijn pluizige bloemen van beddengoed heeft voorzien, of naar Adelaarsvaren, die de matras heeft bezorgd. Bovendien ben ik nog erg fit. Ik ben namelijk nog maar net volwassen. In februari ben ik uit mijn eitje gekropen en na tien vervellingen leid ik nu eindelijk sinds enkele maanden een autonoom leven.

    Vannacht trok ik dus naar het hol van Oppermuis. De ingang baadde in het zachte schijnsel van de Maan die voluit op de wortels van Jonge Beuk scheen. Toen Oppermuis me zag, liep hij naar het varenbed waarop Alis lag. Hij probeerde haar aandacht te trekken door haar zachtjes met zijn poot aan te raken. Ze kromp ineen.

    ‘Hooiwagen is gearriveerd, heel speciaal voor jou,’ piepte hij. ‘Het is tijd voor een ritje door het bos. Hij is je rijdier. Onze plantenvrienden kunnen niet wachten om jou te leren kennen.’ Tot mijn grote verbazing stond Alis niet op. Oppermuis legde nu zijn poot op haar been om haar aan te moedigen. Alis gilde het uit. Gelukkig kon Oppermuis voor me vertalen.

    ‘Waar ben ik? Waarom ben ik zo klein? Wat zijn jullie met me van plan? En waarom heeft mijn telefoon geen bereik? Geef antwoord, of ik blijf schreeuwen!’ Haar stem trilde op een hoge frequentie en veroorzaakte een beangstigend intense vibratie. Ik zag hoe Oppermuis een moment in zichzelf keerde. Daarna snuffelde hij met zijn spitse snuit aan het hoofdeinde van haar bed. Hij piepte zijn antwoorden zo helder hij kon, maar hij leek te beseffen dat hij de mensentaal niet actief beheerste. U heeft zich toch niet vergist, Boomlief? U koos de Muizen als uitverkoren gastheren, precies omdat ze volgens u een gemeenschappelijk verleden delen met de mens. Ze zouden voortkomen uit het geslacht dat in de veertiende eeuw zijn intrek nam in de oude Priorij. Een honderdtal winters leefden ze samen met mensenwezens en in het bijzonder met de mysticus Jan van Ruusbroec, die hen zelfs in zijn geschriften zou hebben vermeld. Een enorme brand deed hen op de vlucht slaan naar het bos. Doorheen de eeuwen verhuisden ze meter per meter dieper het bos in. Maar in hun genen zouden ze nog die lange geschiedenis dragen en ook alle kennis die ze in het gezelschap van de broeders hebben opgedaan. Ook u, Boomlief, maakte de grote bloeiperiode van de Priorij mee. Keer je naar binnen, seinde u de Muizen, luister naar je cellen, zodat jullie je de ervaringen van jullie voorouders kunnen herinneren. En ja, Oppermuis begrijpt de mensentaal nog grotendeels. En dat is hoognodig, want niemand van ons begrijpt hen. En volgens u, Boomlief, zouden mensen niet altijd zeggen wat ze denken. Maar dat de mensenwezens van vandaag ook de Muizen begrijpen, blijkt nu dus een illusie.

    Het meisje perste haar lippen op elkaar en zette een koppige blik op. Ondertussen schoten haar ogen rond in het hol, als een gevangen dier dat wanhopig op zoek is naar een ontsnappingsroute. Een eindeloze stroom onbegrijpelijke beelden rolden uit haar hoofd. Ze schudden mijn fijne lijf door elkaar. Dodelijk vermoeiend was het. Even snel als ze oprezen, waren ze weer verdwenen. Als we met de mensenwezens verder willen, bedacht ik me, moeten we die beelden leren wegfilteren. Ik bewoog me in de richting van Alis. Met mijn acht lange poten moet ik indruk gemaakt hebben op haar, want ze schreeuwde het weer uit.

    Beelden van spinnen stroomden het hol in, van kleine kruisspinnen tot gevaarlijke tarantula’s. Maar ik ben helemaal geen spin! Geïrriteerd bewoog ik mijn poten. Dit mensenwezen besefte dus niet dat ik van schorpioenen afstam. Wij, hooiwagens, spuiten geen gif. Onze romp bestaat uit één en niet uit twee delen. Wij maken geen webben. Wij hebben maar één paar ogen en zien daardoor trouwens niet goed. En het allerbelangrijkste is dat wij, mannen, penissen hebben! En dat die in erectie kunnen gaan.

    Alis bleef krijsen vanuit haar hoekje. Ik begon in te zien dat het lastig zou worden om een van haar vlezige armen elegant met mijn gevoeligste poot aan te raken, zoals ik het me had voorgenomen. Op tijd en stond verzin ik wel een manier. Wij, hooiwagens, zijn immers niet van gisteren. Onze soort is al meer dan 400 miljoen jaar oud. En jullie weten allemaal dat we in al die tijd niks veranderd zijn, geen extra staart, geen schild of dikkere poten. We zijn de enige diersoort die van in het begin aangepast was aan alle mogelijke omstandigheden op aarde. Met hooiwagens sol je niet. Zelfs en zeker niet als je een mens bent.

    Ik seinde mijn plan naar Oppermuis. Die knikte. Ik ging op de grond liggen, waarbij ik mijn poten helemaal ontspande. Oppermuis riep de hulp in van Melkzwam, die zich ook onder zijn nest uitstrekt. Ja, misschien kon het meisje, net als wij allemaal, via de zwammen communiceren? Het gaat tenslotte toch om energie en kunnen niet alle levende wezens op aarde die aanvoelen?

    ‘Kom gewoon je bedje uit en eet misschien een stukje Goudveil. Het is onze delicatesse.’ Oppermuis schuifelde een groengeel blaadje naar Alis’ bed en bleef haar fluwelen trillingen toesturen. ‘Onze voorouders vonden Goudveil maar banaal. Het had geen smaak, zeiden ze, en het was overal te vinden. Maar nu niet meer. Wanneer wij Goudveil zien, dan jubelen we. Want dan weten we dat de beek of het meertje waarlangs Goudveil leeft, zuiver water heeft. En dan eten we niet alleen, maar dan drinken we ook ons buikje vol.’ Oppermuis ging nog even door. Ik voelde een lichte kramp opzetten in mijn vierde poot. Na een tijdje hield ik het niet meer uit. Ik stond op het punt om Oppermuis te seinen dat ik er zonder het meisje vandoor ging, toen de boodschap eindelijk leek door te dringen. Alis begon beelden te produceren van etende mensen omringd door dampende gerechten en ze nam het blaadje aan. In sneltempo knabbelde ze het op. Oppermuis gebaarde dat er meer was aan de andere kant van het hol en dat ze mee moest komen. Als bij wonder stond Alis gedwee op en volgde Oppermuis.

    En zo liep ze in de val. Snappen jullie dat? Alis besefte niet dat ze midden in de ruimte op een van mijn poten trapte. Meteen veerde ik recht. Alis moest zich wel aan mijn poot vastgrijpen als ze niet wilde vallen. Voor het meisje kon reageren, glipte ik tussen de beukenwortels door naar buiten. Weg waren we, ons nog onbewust van het avontuur dat we tegemoet gingen.

  • Week 5

    4

    Mestkever

    Geotrupes stercorarius

    Machtige Beuk, we hadden ze bijna te grazen vannacht, die ellendige Hooiwagen met zijn gevild konijnenmens! Braam heeft er een stokje tussen gestoken. Razendsnel was het duo weer verdwenen. En heel onze familie die de aanval loyaal had voorbereid, gaf het op en keerde terug naar hun nachtelijke activiteiten. Maar niet alles is verloren. Laat ik u de feiten even op een rij zetten, zodat u en al uw onderdanen weer helemaal mee zijn.

    De Maan stond vol aan de hemel en er was niet één wolkje dat het licht versperde. Gracieus vielen haar stralen langs de majestueuze beuken en eiken. In de dansende lichtvlekken onder de zachtjes wiegende bomen leek het weer heel even dag te worden. We waren getipt dat Hooiwagen van plan was om de ongenaakbare met het konijnenvel verder te laten eten bij Braam. Onze opkomst was talrijk en zoals u weet, communiceren we gemakkelijk onder elkaar, met die tsjirpende achterpoten van ons. We hadden ons gespreid opgesteld, zodat we Hooiwagen probleemloos konden volgen. Met onze logge lijven zijn we niet zo wendbaar. Dus we hadden het plan opgevat om hem massaal aan te vallen, wanneer hij ergens halt zou houden. Het leek wel alsof hij die achtervolging vermoedde, want hij dook onder doornstruiken en rende langs dichte grashalmen en verdorde beukenbladen die zo gelooid waren dat ze niet een straal licht doorlieten. Die duistere wereld is onze habitat, met de meest verrukkelijke geuren, textuur en smaken. Maar de ongenaakbare die Hooiwagen bij zich had, voelde zich duidelijk niet op haar gemak. We werden een vochtige huidgeur gewaar die we herkennen van menselijke lopers in het bos. Hooiwagen moet het ook opgemerkt hebben, want hij begon variatie in zijn route te brengen. Mijn broer vloog boven hem, terwijl Hooiwagen langs grashalmen liep die hem op en neer wiegden. We hadden geluk dat de ongenaakbare ons niet opmerkte. Maar ze zag dan ook niks, terwijl toch een hele fanclub van Malle Eik haar aandacht probeerde te trekken onderweg. Ze groette hen niet terug, de duikelende motten die hen richting Braam gidsten. Ze hoorde niet een van de krekels die hen toejuichten. Ze voelde de oude populieren niet, die hen samen met de zuiderwinden een ritselend welkom heetten. Ze merkte zelfs de bosuil niet op die hen begeleidde. Ze staarde wezenloos voor zich uit. Net als mijn broers en zussen, deed ik mijn uiterste best om me te blijven concentreren op hun route, maar al snel werd ik overspoeld door grote vlakken blauw, groen, geel en rood. Ze stroomden uit het hoofd van de ongenaakbare. Overvloedig waren ze en ze hielden zo lang aan dat ik een pauze moest nemen. Tot onze grote verbazing verscheen zelfs de Zon uit die ongenaakbare.

    ‘Zo’n wezen verlangt naar daglicht en kleurtjes!’ seinde mijn zus. Een precieze opmerking. Het was nooit eerder in me opgekomen dat mensen zich niet comfortabel voelen in het grijs-zwarte van de nacht. Wat een geluk, anders zouden ze ons ook ’s nachts komen lastigvallen, stel je voor. Nu ruik ik heel af en toe eens een mens, één mens die ronddwaalt in het duister, en die meestal zeer zachte golven uitstraalt. Heel anders dan die horde fietsers en lopers met door muziek verstopte oren overdag die ons massaal verbrijzelen onder hun zware schoenen.

    Ze passeerden de rottende Tondelzwam, waar enkele familieleden in gezelschap van een heel aantal andere insecten een klein eetfestijn hielden. Hooiwagen moet de lekkernij ook hebben geroken. De Zwam was enorm en lag daar zomaar tussen de kurkdroge bladeren.

    ‘Hou jullie gereed,’ seinde mijn broer. ‘Die Hooiwagen overweegt zijn kansen. Zo’n verrukkelijk hapje heeft hij mijns inziens in dagen niet meer gevonden. Hij gaat er waarschijnlijk van uit dat de aasvliegen, mieren en ander broedsel dat zich aan een rottende paddenstoel voedt, geen interesse hebben in mensenvlees.’ We seinden onze familie en vatten post.

    Zoals we hadden verwacht, kroop Hooiwagen langs het verharde vruchtvlees omhoog. Mijn eerste ontgoocheling: onze familieleden bij Tondelzwam waren te bedwelmd om snel te reageren. Meteen seinde ik de anderen die verderop de wacht hielden.

    ‘Kom allemaal hier, bij Tondelzwam!’ De nieuwsgierigheid van boswezens is enorm. Iedereen wilde de ongenaakbare zien. Het mensje raakte in paniek. Ze gilde allerlei geluiden. Golven van angst stroomden uit het meisje. Een minuscuul spinnetje durfde op haar arm lopen. Alle moeite van de wereld deed ik om me tussen de massa krioelende wezens te wringen, maar er was geen beginnen aan. Mijn broer en ik probeerden bovenop de andere insecten te geraken, zodat we hen konden omsingelen. De aanvalskreet van een oehoe rukte ons uit het kluwen. De vogel daalde tussen de beuken neer. Net zoals wij had hij het op de ongenaakbare gemunt.

    Hooiwagen rende zo snel als hij kon om zichzelf en de ongenaakbare in veiligheid te brengen. We hoopten vurig dat het meisje haar greep zou lossen. Dat hij haar zou kwijt spelen in de duisternis van het kreupelhout.

    Via een korte route bereikten ze Braam. Dat gaf ons een andere kans. Een groot aantal mestkevers had zich daar intussen opgesteld. Uitgeteld groette Hooiwagen de struik.

    ‘Maak je zo snel mogelijk uit de voeten,’ reageerde Braam snel. Die is ook duidelijk zwaar gemanipuleerd door Malle Eik. Grootvader gaf het signaal om ten aanval over te gaan. Veel tijd zouden we niet hebben. In formatie vlogen we naar de laagste bladeren van Braam. We waren met honderden. We namen een bocht en vlogen recht op Hooiwagen en het mensje af. Maar Braam gilde.

    ‘Maak je uit de voeten! Nu!’ Waarom werkt iedereen toch zo onderdanig mee met Malle Eik? Hooiwagen reageerde als de bliksem. Wijdbeens verwijderde hij zich van Braam. En deze keer koos hij voor de grootste dekking. Onze aanval was mislukt. Ik vloog nog op om hem te volgen, maar de anderen hadden het intussen opgegeven. Onder Braam lagen droge konijnenuitwerpselen waaraan ze niet konden weerstaan.

    Het was dus een fiasco. Toch wil ik dit verslag niet zo negatief beëindigen. Laat me nog iets ongewoons doorseinen dat belangrijk zou kunnen zijn. Nog maar even waren ze vertrokken of ik merkte hoe de ongenaakbare een geur van mineralen begon te produceren. Ik stelde mijn zintuigen op scherp. Bij alle Heilige Zwammen, het kon toch niet waar zijn! Het was metaal! Ik vloog dichterbij en zag hoe de ongenaakbare de rechter achterpoot van Hooiwagen met een korte knak afknipte. Ik begreep er niets van. Was dit een menselijke poging tot zelfmoord? De metaalgeur verdween weer. Dragen ongenaakbaren moordwapens bij zich? Wil dat zeggen dat wij dan een nog groter gevaar lopen dan we al dachten?

    We zagen de geamputeerde poot eenzaam voortbewegen. Dat belette Hooiwagen niet om moeiteloos verder te rennen. Snokkend trok hij op en neer langs de meest netelige planten, terwijl de kleine ongenaakbare zich met beide handen vastklampte. Ik verloor ze uit het oog toen ze in het diepere struikgewas verdwenen.

    Machtige Beuk, wij hebben ons best gedaan, maar het geluk stond deze keer niet aan onze kant. Het tij zal keren, u zal het zien. We hebben nog veel tijd. En ook al zijn de slaafjes van Malle Eik met velen, wij zijn dat ook. En de ongenaakbaren, al zijn ze gevaarlijk, zijn opvallende doelwitten die we gemakkelijk te grazen kunnen krijgen. Het vraagt meer training, inzicht en strategie. We komen er wel. En als je het mij vraagt, gaan die Hooiwagen en velen van zijn collega’s zich binnenkort nog tot ons bekeren. Want zeg nu zelf, wie wil er voor zo’n ongenaakbare zijn leven riskeren?

    Ziezo, tot zover. Ik ben toe aan een pauze, voordat we weer een volgende aanval lanceren.

— ------ Anaïs Berck 2026