Ik ben een oude linde, ouder dan het Romaanse kerkje dat rechts van me is gebouwd; ouder dan het bankgebouw van ING dat links is opgetrokken. Soms denk ik dat ik zoveel eeuwen mag leven, omdat ik een boodschap heb voor mensen die zich zorgen maken over de toestand van het klimaat en de aarde.
Op een mooie lentedag waarop mijn bloesems een verrukkelijk parfum verspreiden, trek ik niet alleen insecten aan, maar ook mensen, al zijn ze zich daar nauwelijks van bewust. Zo arriveerden op dit plein twee gestrande reizigers. Ze hadden enkele uren te verpozen tussen twee treinritten. Gemoedelijk dronken ze koffie op het terras hier tegenover. De man, diamanthandelaar van beroep, staarde onophoudelijk naar de bank en vroeg zich af waarom er maar één bankkantoor was op zo’n groot plein. De vrouw die schrijfster was, had ik meteen voor me gewonnen. Ze bewonderde mijn enorme kruin. Ze wist ook dat ik een linde was en herinnerde zich de fijne Mariabeeldjes en andere beeldhouwwerken die mensen met het zachte lindehout maken.
De twee hadden elkaar toevallig op de trein ontmoet. De man kon maar niet geloven dat de vrouw nauwelijks interesse had in geld. De vrouw kon niet geloven dat de man nooit eerder een anti-kapitalist had ontmoet. Hij zocht naar argumenten om haar ervan te overtuigen dat ze het mis had. Geld was voor hem het allerbelangrijkste in dit leven. Zijn oog viel op het Romaanse bouwwerk.
‘Kijk,’ zei hij, blij om zijn vondst. ‘Dat kerkje dat daar staat, dat staat daar al langer dan de bank. Ooit was de kerk het allerbelangrijkst in een mensenleven. Het instituut was een manier om mensen klein en gedwee te houden, iedereen in het gareel. Het verlangen naar het eeuwige leven in de hemel is nu vervangen door het verlangen naar zoveel mogelijk geld. Snap je?’
De vrouw knikte. In haar binnenste vroeg ze om hulp. Een wind stak op. Ik nam de gelegenheid aan om mijn boodschap mee te geven met mijn bloesemgeuren. De vrouw hield er duidelijk van. Benieuwd of ze ook open zou staan voor mijn nieuws.
Een stralende glimlach verscheen om haar lippen.
‘Zie je die enorme oude linde naast het kerkje?’ vroeg ze de man.
‘Ja zeker,’ antwoordde hij, rationeel en nog altijd overtuigd van zijn standpunt.
‘Die linde staat er al het langst. Ooit was die boom de ontmoetingsplek van de bewoners van het dorp, en waren de bomen het allerbelangrijkste in hun leven. Ze gaven hen hout, medicijnen, voedsel, raad, warmte, schaduw, vriendschap. Bossen waren als kathedralen voor hen. Op een dag gaan mensen begrijpen dat je met al dat vergaarde geld geen nieuwe planeet kan kopen. Met bomen kom je een heel eind. Ze zijn onze bondgenoten in het overleven van onze soort. We evolueren naar een wereld waarin iedereen opnieuw naar bomen zal verlagen bossen, wouden, biodiversiteit.’ Ze had mijn boodschap helemaal ontvangen. Zelf stond versteld ze van de woorden die ze sprak. De man bleef stil en knikte bezorgd.